Techniek doordrenkt onze hele samenleving en vooral ons denken. We zoeken naar efficiëntie en oplossingen en raken mede daardoor steeds meer in de ban van de techniek. In dit laatste deel van het drieluik staat de vraag centraal wat de betekenis is van vrijheid voor de omgang met techniek.
We leven vandaag in een technische samenleving. Je kan als de Amish ervoor kiezen om je van die samenleving af te zonderen en zo min mogelijk techniek te gebruiken. Maar als je dat niet doet, hoe kan je dan in de wereld staan zonder dat die technische wereld heel je doen en denken bepaalt?
Wat in elk geval duidelijk is: een christen hoeft niet bang te zijn voor allerlei externe invloeden of machten die aan hem trekken, omdat hij een God heeft die boven al die andere machten staat, en omdat Christus heeft getriomfeerd over alle machten. Dat wordt treffend uitgedrukt door vrij bekende woorden van Maarten Luther in zijn boek De vrijheid van een christen: ‘Een christen is een zeer vrije heer over alle dingen, aan niemand onderworpen. Een christen is een zeer dienstvaardige knecht van allen, onderworpen aan allen.’
Vrijheid
Door het verlossingswerk van Jezus Christus zijn wij bevrijd van de dienst aan andere machten. Tegelijk willen wij zijn voorbeeld volgen en daarom onze naaste dienen. Die dienst wordt ons niet opgelegd, maar komt juist vanuit de vrijheid die Christus schenkt.
Het is goed om nog iets verder in te gaan op wat vrijheid is. Enerzijds is er vrijheid van. Dat je bijvoorbeeld vrij bent van regels die zeggen dat je iets niet mag doen of dat je vrij bent van de invloed van ‘machten’. Anderzijds is er vrijheid tot: de vrijheid om iets te doen en die vrijheid kan een zekere oefening vergen.
Dat onderscheid wordt duidelijker met het volgende voorbeeld. Er staat een piano in de stationshal. Iedereen mag daar vrij op spelen. Maar niet iedereen heeft de gave bijvoorbeeld Bach of Mozart ten gehore te brengen. Daarvoor is oefening nodig. Die ‘vrijheid tot’ geldt ook voor ‘goed leven’. Samenleven in harmonie met anderen vraagt om oefening. In de wereld staan zonder je te laten beheersen door de wereld vraagt ook om oefening en om leren van elkaar.
De omgang met techniek vraagt juist dat: oefenen in hoe je vrij bent. Niet alleen vrij van je smartphone, maar ook van het onderliggende denken of gevoel dat je altijd bereikbaar moet zijn, dat je niets wilt missen. Niet alleen vrij van sociale media, maar van het idee dat je jezelf wel goed moet presenteren aan de wereld om je heen.
Ontheiligen
Het werk van Jacques Ellul (zie het eerste artikel) bestaat voornamelijk uit het ontmaskeren en ontheiligen van de moderne idolen of machten. Inzicht daarin krijgen is de eerste stap naar vrijheid. Je moet zien hoe je vastzit in je denken en in de systemen van de moderne samenleving.
Ellul geeft geen systeem om vervolgens uit te leven. Daar is hij juist huiverig voor. Ieder moet op zijn eigen plaats zoeken naar wat God van hem vraagt. Tegelijk is een groot deel van de boeken van Ellul doortrokken van bijbelstudie.
Omdat een christen geroepen om te leven uit het Woord, heeft hij een belangrijke functie in de wereld. Het moet niet gaan om onze politieke of maatschappelijke activiteiten. Daarmee zou het weer gaan om het middel, om de actie, om het handelen. Dan maken we alles afhankelijk van ons eigen streven en ons eigen inzicht. We zijn er juist om getuige te zijn van een ander Koninkrijk, een andere realiteit, door niet mee te gaan in het aanbidden en volgen van de afgoden van deze tijd, maar door vanuit de liefde van Christus dienstbaar te zijn aan onze naaste. Daardoor maken we verschil, want dat gaat in tegen die andere machten.
Vreemdelingschap
In de huidige tijd is de mens steeds meer vervreemd van zichzelf en van de ‘normale’ structuren van een samenleving. Volgens Ellul is hij zelfs meer vervreemd dan in eerdere tijden, omdat de innerlijke vrijheid minder makkelijk te vinden is. Van alle kanten wordt er aan hem getrokken door media, propaganda en de samenleving zelf.
Die status van vervreemding is niet goed: een mens hoort ergens geworteld te zijn. Een christen heeft zijn wortels echter in wie hij is in Christus. Daarmee is hij geroepen tot een ander Koninkrijk. Hij is uiteindelijk vreemdeling en bijwoner op deze wereld. Natie, volk, familie of samenleving zijn niet meer het belangrijkst. En het bouwen en werken daaraan is niet meer het hoofdstreven voor een christen, want het koninkrijk van God is niet iets wat wij bouwen met onze kracht. Het is gekomen in Jezus Christus en het is komende. We kunnen daarvan getuigen en we mogen werken voor dat koninkrijk, in afhankelijkheid. Het hangt niet van ons af.
Daarmee kan de christen enerzijds zijn positie accepteren. We leven in deze wereld, in deze technische samenleving. Dat is geen onverschilligheid, maar een leren aanvaarden van onze positie en het zien van het tijdelijke van deze wereld, waardoor we geen slaaf worden van de zorgen over werk, salaris, de toekomst, enzovoorts. De christen kan accepteren dat tijden veranderen en zal steeds zoeken naar een nieuw begin, naar nieuwe hoop. Dat betekent ook een zekere onverschilligheid richting de doelen van de samenleving. Meer groei, een betere levensstandaard of andere doelen zijn relatief. Daarmee verwerpen we deze doelen niet, maar geven we ze wel hun eigenlijke plek. Materiële veranderingen brengen niet de eigenlijke verandering voort. Alleen door Christus en de vrijheid die Hij geeft komt innerlijke verandering en vandaaruit ook andere verandering.
Nederigheid
Ergens klinkt dit voor ons misschien overbekend. Als we in een christelijke omgeving zijn opgegroeid kunnen we dit zelfs meer ervaren als een nieuw moeten dan als bevrijding. We begonnen deze artikelen met twee christelijke denkers die hun wortels hadden in het protestantisme. Al was het Frankrijk van Jacques Ellul wel meer geseculariseerd dan het Nederland van Egbert Schuurman.
Ik wil eindigen met een citaat van Paul Kingsnorth, een denker die zich ook bezighoudt met techniek, wat hij ‘de machine’ noemt. Hij heeft pas later het christelijke geloof ontdekt, na rondzwervingen langs onder andere Wicca en het Boeddhisme, en vindt daarin de vrijheid die hij nergens anders vond. Uit het essay ‘Het kruis en de machine’ (First Things, 2021, vertaling Jasper van der Kolk): ‘Ik groeide op met het geloof dat alle moderne mensen met de paplepel ingegoten krijgen, namelijk dat vrijheid de afwezigheid van beperking betekent. Orthodoxie leerde me dat deze vrijheid helemaal geen vrijheid is, maar verslaving aan onze driften: een nette beschrijving van de eerste dertig jaar van mijn leven. Ware vrijheid, zo blijkt, is het opgeven van je eigen wil en het volgen van die van God. Jezelf te ontkennen. Om het te laten gebeuren. Ik ben hier verschrikkelijk slecht in, maar ik begrijp voor het eerst wat het pad is.’
Pieter Boom, Delfzijl