Op 4 mei a.s. herdenken we de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, van de koloniale oorlogen in Indonesië en van oorlogssituaties en vredesmissies nadien. Onder Nazi-Duitsland werden zes miljoen Joden omgebracht. Van de naar schatting 140.000 Joden die Nederland in mei 1940 telde, zijn er meer dan honderdduizend vermoord of door ziekte en uitputting om het leven gekomen.

 

In 1965 publiceerde dr. J. Presser (1899-1970) zijn tweedelig werk over de Joden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De titel van dit indrukwekkende werk is: Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945.

 

Absurditeit

Voor mij liggen de twee delen van dit werk dat afkomstig is uit de erfenis van mijn schoonmoeder. Het is de vijfde druk uit hetzelfde jaar waarin het boek verscheen. Beide delen omvatten samen meer dan duizend bladzijden. Presser heeft het verslag van de ‘monsterachtige absurditeit’ van de Endlösung der Judenfrage verweven met verhalen over wat mensen persoonlijk hebben meegemaakt. Joden werden bestreden als ongedierte. Hij schrijft over hoe ze werden opgespoord en uitgeroeid. En dat in dienst van een idee, een ideaal. Zo gaat dat meestal. De ergste misdaden worden doorgaans begaan vanuit goede bedoelingen.

In 1950 had het toenmalige bestuur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie Jacques Presser gevraagd daarover te schrijven. Hij is daar vijftien jaar mee bezig geweest, naast zijn werk als hoogleraar geschiedenis. Hij zag het als een roeping en heilige plicht de tolk te zijn van zijn volksgenoten. De inleiding op dit boek begint als volgt:

 

‘Dit boek is de geschiedenis van een moord. Een moord, tevens massamoord, op nimmer gekende schaal, met voorbedachten rade en in koelen bloede gepleegd. (…) De hier te lande woonachtige Joden werden in een proces van ontrechting en isolering van vrijwel alles beroofd, weggevoerd en in wetenschappelijk-systematische, technisch welhaast onberispelijke stijl omgebracht. (…) Zonder overhaasting, weldoordacht, geregistreerd en gereglementeerd. De moordenaars waren niet zelden bruten en ongeletterden, maar dikwijls ook gestudeerden en intellectuelen met een onuitroeibare voorliefde voor literatuur, beeldende kunsten en muziek; velen van hen waren zorgzame huisvaders, geenszins verstoken van Gemüt, vrijwel allen vierden het Kerstfeest en hervatten daarna hun arbeid: de moord op ontelbare mannen, vrouwen en kinderen, weerloze mensen, medemensen.’

 

Persoonsbewijs

Presser die in die jaren in Amsterdam woonde, heeft de misdadige praktijken van de bezetter van nabij meegemaakt en aan den lijve ondervonden. Vanwege zijn Jood-zijn mocht hij op een gegeven moment niet langer werken op het gymnasium waar hij geschiedenis gaf. Langzamerhand werden Joden verbannen uit hun werk en geïsoleerd. Presser zelf werd – zo lang het nog kon – leraar aan een Joods lyceum. Zijn vrouw Debora Appel werd in maart 1943 betrapt met een vals persoonsbewijs. Ze werd via het doorgangskamp Westerbork naar het vernietigingskamp Sobibor overgebracht. Zelf heeft Presser de oorlog overleefd doordat hij kon onderduiken.

Vanaf het bezig van de bezetting (10 mei 1940) kwamen er al maatregelen tegen de Joden. De eerste maatregelen waren dat Joodse overheidsfunctionarissen werden ‘ontheven uit hun functie’. Steeds meer groepen uit de Joodse bevolking werden uitgesloten van bepaald werk. Steeds verder gingen de maatregelen van isolatie. Zo werd bijvoorbeeld in 1941 de ‘Nederlandse Kultuurkamer’ opgericht, waar alle kunstenaars zich bij moesten aansluiten. Als Joods kunstenaar mocht men daar geen lid van worden. Ze konden hun beroep niet meer uitoefenen.

In 1941 moesten Joden zich kunnen identificeren via een persoonsbewijs. Daarop was een grote J gestempeld. De Joodse Raad die door de Duitsers in het leven was geroepen, moest maatregelen van de Duitsers met de Joodse gemeenschap in Amsterdam communiceren. Ze stonden soms voor onmogelijke keuzes en moesten met de bezetter onderhandelen. Ze kregen dan iets gedaan (bijvoorbeeld uitzonderingen voor bepaalde groepen), maar uiteindelijk realiseerden de bezetters hun plannen zoals zij die hadden bedacht. Soms leek het niet erger te kunnen, maar het werd erger, steeds erger. Werd er niet meegewerkt aan de Duitse eisen, dan werd gedreigd met nog hardere maatregelen.

Op 19 mei 1941 viel onder leiding van de rijkscommissaris (‘landvoogd’) Arthur Seyss-Inquart het besluit dat alle Joodse Nederlanders moesten worden gedeporteerd. Vanaf 3 mei 1942 moesten alle Joden in Nederland een Jodenster dragen.

 

Deportaties

Aanvankelijk werden Joden vanuit Amsterdam gedeporteerd die een oproep hadden gekregen. Zij werden naar werkkampen in het oosten en noorden van ons land gebracht, en daarna ook naar Duitsland om te werken. Dat laatste betekende doorgaans een directe reis naar een concentratie- of vernietigingskamp. Ook op 15 juli 1942 was er een transport gepland. Maar omdat de Duitsers verwachtten dat er te weinig Joden aan de oproep gehoor zouden geven, hielden zij de dag ervoor een razzia. Er werden in Amsterdam zevenhonderd Joden op straat gevangengenomen. Ook Presser werd gevangengenomen. Aangrijpend is hoe hij schrijft over de selectie die daarna plaatsvond. Seyss-Inquart bepaalde wie op transport ging en wie werd vrijgelaten. In de periode daarna haalden de Duitsers ook de Joden uit hun huizen. Dat gebeurde op aandringen vanuit Berlijn en in het bijzonder Adolf Eichmann. Presser vertelt over de angst en onzekerheid van de Joden bij wie ’s avonds elk moment kon worden aangebeld.

Westerbork was een doorgangskamp. Na dit kamp volgde de reis naar Auschwitz, Sobibor of een ander vernietigingskamp. Anderen gingen daar rechtstreeks naartoe zoals bewoners en personeel van het Apeldoornse Bos, een Joodse instelling voor mensen die extra zorg nodig hadden vanwege hun psychische gesteldheid of beperking.  

En de kerken? Over de kerken schrijft Presser niet veel. Wel noemt hij met veel waardering de naam van dr. Jan Koopmans. In diens brochure Bijna te laat!, die in het begin van de bezetting was geschreven, liet deze predikant een profetisch geluid horen: ‘Zij gaan eruit – daaromtrent moeten we ons niet de flauwste illusies maken. Zij gaan eruit en zij gaan eraan.’ In een schrijven van 19 mei 1943 lieten de kerken een scherp protest horen tegen de sterilisatie van Joden. Ook dit stuk was door Koopmans geschreven.

 

Voor de afschuwelijke verschrikkingen van deze vervolging en verdelging is geen verklaring. Het is onverklaarbaar dat mensen elkaar zoveel kwaad kunnen aandoen en dat in de naam van een idee over wat zij goed vinden. Er is geen groter raadsel dan het raadsel van het kwaad. Een gedachte die ons soms kan benauwen, is dat dit kwaad van nature bij eenieder van ons aanwezig is. Presser schrijft over een Joodse man die bij een razzia was opgepakt. Hij las toen uit een boekje dat hij altijd bij zich had. Een soldaat die de gevangen genomen Joden moest bewaken, vroeg hem wat hij las. ‘Jesaja 40.’ De soldaat reageerde met: ‘Tröste, tröste Jerusalem.’ Het bleek dat hij in Duitsland predikant was geweest. Wij allen – zonder uitzondering – hebben nodig dat God ons vasthoudt en bewaart voor de boze.

 

Douwe Steensma, Feanwâlden

 

N.a.v. J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. Monografie 10 van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, ’s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1965, eerste deel.