In 2025 was het 1700 jaar geleden dat het concilie van Nicea werd gehouden. Tijdens dit concilie werd een geloofsbelijdenis vastgesteld die nog steeds door alle christelijke kerken wordt aanvaard: de geloofsbelijdenis van Nicea. De organisator van dit concilie was keizer Constantijn de Grote.
Aanvankelijk was Constantijn een vereerder van de zonnegod, maar hij bekeerde zich op een gegeven moment tot het christelijk geloof. Hij werd een aanbidder van Christus. Dit gebeurde in een context waarin het christendom als religie nog niet geaccepteerd was. Voor de christenen binnen het Romeinse Rijk was dit een enorme omslag.
Godsdienstvrijheid
In het jaar 313 kwam het Edict van Milaan tot stand, waarin Constantijn de christenen godsdienstvrijheid verleende. Tien jaar eerder had zijn voorganger, keizer Diocletianus, zelfs nog met alle macht geprobeerd het christendom uit te roeien. Van 303 tot en met 305 werden kerken in brand gestoken, christenen zonder enige vorm van proces gedood en soms massaal van het leven beroofd.
In een serie van drie artikelen beschrijven we wat keizer Constantijn voor het christendom gedaan heeft. Dit is slechts voor een deel na te gaan, omdat we slechts enkele persoonlijke documenten hebben van Constantijn. Toch kunnen we ons aan de hand van door hem genomen beslissingen en door hem gevoerd beleid wel een beeld vormen van wat er plaatsvond in het Romeinse Rijk als het gaat om de ontwikkeling van het christendom en om de vraag hoe we Constantijn moeten typeren. We kunnen hem gerust typeren als een voorvechter of promotor van de voor velen nieuwe religie.
In het eerste artikel willen we kijken naar de slag die Constantijn voerde bij de Milvische brug en hoe zijn overwinning leidde tot de godsdienstvrijheid door het Edict van Milaan. In het tweede artikel willen we kijken naar de tussenperiode van 313 tot en met 323, waarin Constantijn het christendom verder consolideerde. In het derde artikel willen we kijken naar de belangrijke eindstrijd die Constantijn voerde met zijn zwager en tegenstander Licinius in 324. De overwinning in deze eindstrijd zou uiteindelijk ruimte bieden voor en leiden tot het concilie van Nicea in 325.
Strijd
Allereerst bezien we de situatie in 312. Het Romeinse Rijk was in dat jaar militair gezien niet stabiel. Er waren meerdere generaals die eigenlijk allen het liefst alleenheerser wilden worden. In Italië was Maxentius aan de macht. Om stabiliteit in Italië en in het westelijk deel van het Rijk te creëren moest Constantijn zijn mededinger naar de macht volledig verslaan. Deze militaire uitdaging was bepaald niet eenvoudig. In een gebied waarin zijn tegenstander Maxentius in feite heer en meester was moest hij proberen deze definitief uit te schakelen. In 312 was Noord-Italië echter geheel in handen van Maxentius en moest Constantijn deze regio daarom stad voor stad veroveren, wilde hij zijn alleenheerschappij veilig stellen. Bij elkaar opgeteld had Maxentius ook een grote overmacht aan soldaten. Hij beschikte over zo’n 90.000 soldaten, terwijl Constantijn bij zijn opmars naar Rome slechts over 35.000 soldaten kon beschikken.
In het voorjaar van 312 begon Constantijn zijn opmars naar Rome. Van de oorspronkelijke Germaanse troepen waren sommige onderdelen tot gardetroepen van de keizerlijke residentie omgevormd. Constantijn zelf bevond zich onder de ruiterij, omgeven door protectores (beschermers), waarvan sommigen tot persoonlijke lijfwacht bevorderd waren. Misschien kwam uit hun midden de uitgelezen troep voort die het keizerlijke vaandel met het chi-rho-monogram van Christus bewaakte. De letters chi en rho zijn de eerste twee letters van de naam ‘Christus’.
De opmars verliep voorspoedig voor Constantijn. De stad Susa werd na een kort beleg ingenomen. Voor Turijn kwam het tot een cavalerieslag, die door Constantijn gewonnen werd. De strategisch belangrijke stad Milaan gaf zich zonder verzet over. Bij Brescia vond er opnieuw een ruitergevecht plaats, waarna Constantijn de Noord-Italische plaats Verona, de belangrijkste vesting in Noord-Italië, belegerde. Hier had de opperbevelhebber Pompeianus zijn hoofdkwartier; na een uitval kwam hij enkele dagen later met een ontzettingsmacht te hulp, wat tot een groot treffen buiten de muren leidde, in feite de beslissende slag in Noord-Italië.
Pompeianus vocht zelf mee en Constantijn deed dat ook, voor een keizer in deze tijd was dit ongebruikelijk. Het duidt er zeer waarschijnlijk op dat de tegenstand sterk en de overwinning daardoor lang niet zeker was. Pompeianus sneuvelde, Constantijn niet. Uiteindelijk behaalden diens troepen de overwinning. Daarop gaf Verona zich over, spoedig gevolgd door de laatste vestingsteden van Maxentius in Noord-Italië, namelijk Modena en Aquileia. In de herfst van 312 kon Constantijn aan zijn opmars naar Rome beginnen, langs Ravenna en de Via Flaminia naar het zuiden.
Milvische brug
Voorafgaand aan de slag bij de Milvische brug heeft Constantijn volgens de christelijke schrijver Lactantius het teken van Christus niet alleen in het vaandel maar ook op de schilden van zijn soldaten laten aanbrengen. Hij verwachtte van Christus bovennatuurlijke hulp. In Malborghetto, ongeveer twintig kilometer ten noorden van Rome aan de Via Flaminia, liet Constantijn na zijn overwinning een triomfboog oprichten. Daarmee markeerde hij hoogstwaarschijnlijk de plaats waar hij zijn legerkamp opsloeg vlak voor de eindafrekening met Maxentius. Het moet hier geweest zijn dat Constantijn in de vroege ochtend van 28 oktober 312 aan zijn protectores meedeelde dat hij een droom had gehad waarin hem was opgedragen om het teken van Christus op hun schilden aan te brengen. Dit paste in de Romeinse traditie, waarin voortekenen, dromen en voorspellingen altijd al een zeer bepalende rol speelden. Iets vergelijkbaars gebeurde daarom ook aan de andere kant: Maxentius had ook een bovennatuurlijke macht te hulp geroepen door de Sibillijnse boeken te raadplegen. Hieruit kon hij afleiden dat de datum van 28 oktober bijzonder geschikt zou zijn om ‘een vijand van Rome’ te verslaan.
Wat betreft het verloop van de slag weten we dat vlakbij de afgebroken Milvische brug een houten pontonbrug was geslagen en dat hierover in de ochtend van 28 oktober een voorhoede van Maxentius’ leger op weg ging naar Saxa Rubra met de bedoeling om Constantijn daar tegen te houden.
Deze actie mislukte echter omdat een groot deel van Constantijns leger de smalle doorgang reeds had gepasseerd. De slag die daarna plaats vond, was chaotisch van karakter. De pretorianen te voet en de bereden garde van Maxentius vochten hardnekkig en leden zware verliezen bij hun terugtocht. Onder het gedrang stortte de brug in. Maxentius raakte daarbij te water en verdronk in zijn wapenrusting. Tegen het einde van de dag werd hij onder de doden aangetroffen, werd zijn hoofd afgehakt en aan Constantijn getoond als bewijs dat diens tegenstander overleden was.
Marten van Willigen, Apeldoorn
Prof. dr. M.A. van Willigen is hoogleraar exegese vroege kerk aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn