Hij had het leven geproefd. Nog niet verzadigd, maar toch. Als ik hem bezoek, zit hij op zijn stoel. Praatstoel, wel te verstaan.
We hebben wel wat te delen. Onze leeftijden lopen niet ver uiteen. We groeiden op in een kerkelijk klimaat waarin veel vastlag. Kerkelijk en maatschappelijk stonden we voor dezelfde uitdagingen. Soms lieten we ons meeslepen, een enkele keer verzetten we ons. En nu, op de rand van de leeftijd der zeer sterken, blikken we terug. Waar hebben we onze tijd aan besteed? Wat hebben we vastgehouden? En wat hebben we misschien nooit echt ter discussie gesteld? Onze kinderen werden door hun moeders opgevoed. Wij vergaderden. Opening, lezen, bidden, notulen, bespreking, gebed, sluiting. Elf uur. In de kamer brandt nog licht. Maar moeder slaapt. Zij moet weer vroeg op. Zwemles voor de kinderen.
Dan vraagt hij: ‘Weet jij hoe ze vroeger eenden vingen?’ Ik luister. Ze werden een kooi ingelokt. Via een pijp kwamen ze naar binnen. Hun uitzicht was een mooie plas. Toch zochten ze vaak de kanten op. Net als mensen, die steeds de randen van hun eigen gelijk opzoeken. Vast overtuigd van hun inzicht. Anderen meesleurend in hun overtuiging. Rondom de kooi sluipt het kooikerhondje heen en weer. Nieuwsgierig volgen de eenden zijn bewegingen. Zonder te merken dat de pijp steeds smaller wordt. Alleen wie in het midden blijft zwemmen, kan nog ontsnappen. Wie de randen volgt, vliegt vanzelf de kooi in.
Mijn oude vriend strijkt over zijn stoppelige kin. In dat lichte raspen klinkt zijn levensverhaal. Daar waar het schuurde. Daar waar overtuiging zekerheid werd. De grenzen van het vertrouwde niet altijd werden bevraagd. En ik besef: ook wij zijn soms langs de randen gegaan. Misschien zonder het te merken. Misschien denkend dat we de goede weg volgden. Tot de pijp steeds smaller werd.
Douwe Janssen