‘We kijken de diensten altijd trouw mee hoor.’ Het kan je zomaar gezegd worden tijdens een huisbezoekje. Je spreekt de gemeenteleden, blij met een zekere mate van betrokkenheid. Ze kijken immers mee met de diensten, ze weten van de diensten en preken mee te praten. En de betrokkenheid kan daarnaast blijken uit het feit dat een of meer gezinsleden lid zijn van deze of gene commissie die de gemeente rijk is. Om dankbaar voor te zijn, al die blijken van betrokkenheid.

Toch haakt het ergens ook. Fijn dat de betrokkenheid op de gemeente er is, maar toch…

Het is vooral sinds de corona-tijd, dat de ouderling van dienst aan het begin van de dienst nadrukkelijk ook ‘de mensen die thuis meekijken en/of luisteren’ welkom heet.

Natuurlijk, ook daarvóór was het al gebruikelijk. Immers ook vóór de coronatijd, waarin veel kerken inderhaast een of meer camera’s werden opgehangen, konden de mensen thuis meeluisteren. En in verschillende kerken waren ze hun tijd vooruit en hadden ze die moderne snufjes al eerder geïntroduceerd.

Hoe dat ook zij, sinds corona is het aandeel gemeenteleden dat de diensten thuis meekijkt, flink toegenomen. Omdat gemeenteleden na corona de stap om met auto of desnoods de fiets of ‘benenwagen’ naar het kerkgebouw te gaan niet meer of veel minder vaak konden zetten.

Zou, in alle vriendelijkheid vanzelfsprekend, dan ook de vraag gesteld mogen worden: fijn dat jullie betrokken zijn op de gemeente, maar…wat merken we als gemeente daarvan? Of soortgelijke bewoordingen. Met die vraag wordt de vinger gelegd bij de keuzes die gemaakt worden die vooral en in de eerste plaats uitgaan van stukje eigenbelang. En eigenbelang is precies waar de gemeente het niet van moet hebben.

Ik haast mij erbij te schrijven dat er naast ziekte en ouderdom waardoor het gewoon niet meer kan, ook echt goede redenen kunnen zijn waardoor de drempel om naar de kerk te komen, hoog zijn, zo niet te hoog. Of de drempel té hoog is om niet te gaan, is een persoonlijke afweging.

Maar het is nou eenmaal niet opbouwend om (veel) lege plekken te zien tijdens de eredienst. Natuurlijk, als de aanwezigen eenmaal hun plekje hebben ingenomen, is het goed te letten op het positieve, op de broeders en zusters die er wel zijn. Dan letten we niet op de lege plaatsen want dat heeft toch geen zin. Maar toch: elke lege plaats schrijnt toch een beetje.

Soms is het goed om de overweging te maken dat je niet voor jezelf naar de kerk gaat. Althans, niet ‘alleen maar’ voor jezelf, maar ook voor je broeders en zusters. En niet in de laatste plaats, om naar het kerkgebouw te komen, waarvan we mogen geloven dat het een Heilige Ruimte is wanneer God ons daar, door Woord en Geest ontmoet, begroet en zegent.

 

Alexander Aalderink, Noordscheschut