Dit jaar is het honderdvijftig jaar geleden dat Groen van Prinsterer stierf. In 1847 verscheen zijn boek Ongeloof en Revolutie. Dit boek geeft een analyse van de geest van de revolutie die al langere tijd door Europa rondwaarde en zich vooral in de Franse Revolutie (1789) op een verschrikkelijke manier manifesteerde.

 

 

Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) was jurist en historicus, en diende enkele jaren als secretaris van het kabinet van koning Willem I. Ook was hij een aantal jaren lid van de Tweede Kamer. Zijn gedachten over ‘ongeloof en revolutie’ waren een inspiratiebron voor diegenen – met Abraham Kuyper voorop – die in 1879 de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) hebben opgericht. Groen was een belangrijke grondlegger van de protestants-christelijke politiek in Nederland.

 

Zelfverheffing

Ongeloof en Revolutie is gebaseerd op lezingen die Groen hield voor een twintigtal vrienden in zijn bibliotheek in de winter van 1845-1846. Zijn hoofdstelling is dat ongeloof tot revolutie leidt. Onder ongeloof verstaat hij de verwerping van God en zijn woord. Onder revolutie verstaat hij de zelfverheffing van de mens in wetenschap en politiek. Overal waar mensen zich tegenover God opstellen is een revolutie gaande. Dan zijn niet de ordeningen van God de basis van waarheid en recht, samenleving en politiek, maar wat mensen zelf daarover bedenken. Dat werd heel duidelijk tijdens de Franse Revolutie en nasleep daarvan.

Velen zien de oorzaak van deze revolutie in Frankrijk in de omstandigheden waarin het Franse volk zich in die tijd bevond. Het gewone volk werd onderdrukt door de koning (Lodewijk XVI), de geestelijkheid en de adel. Groen erkent dat er misstanden waren, maar stelt dat die misstanden slechts bijkomende factoren waren in het ontstaan van die revolutie. De oorzaak daarvan ligt dieper, namelijk in het ongeloof: mensen zijn in opstand gekomen tegen God en zijn woord.

Deze oorzaak komt duidelijk naar voren in de geschriften van de filosofen van de achttiende eeuw, de eeuw van de verlichting. De verlichtingsfilosofen stelden dat godsdienst leidt tot strijd, maar ‘denken’ tot vrede en welzijn. Mensen zijn volgens hen niet gebonden aan de traditionele gezagsinstanties van kerk en overheid: het hoogste gezag ligt in de menselijke rede.

 

Maatschappelijk verdrag

Ongeloof is van alle tijden, maar kreeg vooral in de achttiende eeuw de overhand in de samenleving. Wat vóór die tijd een uitzondering was, werd toen regel. Dit ongeloof gaat ervan uit dat de mens in zijn kern goed is. Als er bij mensen kwaad aanwezig is, is dat uiteindelijk te wijten aan maatschappelijke structuren. Dan moeten die structuren veranderen.

Wat het staatsrecht en de politiek betreft betekent dit dat mensen hun eigen wetten moeten maken. Zij kunnen dat ook doen omdat hun kern (het verstand) zuiver is. Het volk (in het Grieks: demos) regeert, dus: democratie. Daarmee loochent de geest van de revolutie het goddelijk recht als basis voor het staatsrecht. In de praktijk betekent dit dan dat regeerders luisteren naar de stem van (de meerderheid van) het volk. Wie het volk ook regeert (een koning, een kabinet of een president), deze regeerder is dan slechts een ambtenaar die de wil van het volk uitvoert. Verlichtingsfilosofen stelden dat die wil moet worden vastgesteld in een maatschappelijk verdrag. Dan zou er vrede en welzijn zijn voor mens en samenleving.

Uiteindelijk zijn er volgens Groen maar twee regeringsvormen: een regering die de wil van het volk uitvoert, en een regering die zich laat leiden door het woord van God. De uiterste consequentie van de eerste vorm is anarchie. Het volk doet dan wat goed is in eigen ogen. Kijk naar wat er direct na 1789 in Frankrijk gebeurde. Om dat echter te voorkomen zou het volk kunnen kiezen voor beheersing van die chaos. Dan geeft het zich over aan een sterke leider, een despoot, die het volk weet te bespelen en niets anders doet dan zijn eigen wil doorzetten met het argument dat hij het welzijn van land en volk dient. Groen leert daarentegen dat de ware vrijheid bestaat in gebondenheid aan God en zijn woord. Daaraan moeten dan ook staatswetten gebonden zijn. In de politiek moeten antirevolutionaire beginselen leidend zijn.

 

Doordrijvers

Groen schrijft in zijn Ongeloof en revolutie niet alleen dat de geest van de revolutie ingaat tegen het woord van God, maar ook tegen de geschiedenis. Grote denkers uit het verleden beginnen hun beschouwingen altijd met de godheid, hoe hun voorstelling over die godheid ook is. Ook denkers die een republiek als gewenste staatsvorm beschouwen, erkennen altijd een godheid als de gever van gezag.

Daaraan heeft de geest van de revolutie echter geen boodschap: het gezag ligt bij het volk. Als dat revolutionaire beginsel de overhand heeft, wordt dat onherroepelijk zichtbaar in gebeurtenissen. Heeft een idee zich meester gemaakt van mensen, dan volgt onvermijdelijk de toepassing daarvan in de praktijk. Daarbij gaan de doordrijvers voorop. Vooral hun wil wordt uiteindelijk gedaan. Zij die een gematigde koers voorstaan, willen niet als halfslachtig en twijfelachtig worden aangemerkt en volgen uiteindelijk de radicalen en hun ideeën en wensen. Tegenover de doordrijvers en degenen die consequent willen zijn, hebben de gematigden altijd ongelijk. De geest van de revolutie wil zijn doel bereiken, welke middelen daarvoor ook nodig zijn. Het doel heiligt dan de middelen, hoe verschrikkelijk die middelen ook zijn.

Groen stelt echter dat overheid en staatsbestel teruggaan op beginselen die verankerd zijn in de scheppingsorde. Deze beginselen zijn volgens hem van oudsher in de geschiedenis tot ontwikkeling gekomen. Zo zien we dat bijvoorbeeld in onze vaderlandse geschiedenis: die geschiedenis toont een goddelijk bestel. Daarvoor moet eerbied zijn. Grote denkers hebben die eerbied voor goddelijke beginselen ook altijd betoond, aldus Groen. Maar revolutionairen keren zich daarvan af. Zij vervalsen ook de geschiedenis. Maar de geschiedenis is een ‘vlammend schrift van de heilige God’. Vandaar dat Groen onderstreept: er staat geschreven! en: er is geschied!

Bij het onderstrepen van de leus ‘er is geschied!’ is het wel de vraag of Groen voldoende oog heeft gehad voor wat in de geschiedenis mis is gegaan, soms (of misschien wel vaak) met een beroep op God. Bovendien is in de twintigste eeuw meer aandacht gekomen voor de vraag of we altijd begrijpen wat we lezen in de Bijbel als we zeggen: ‘er staat geschreven!’

 

Ter gelegenheid van Groens honderdvijftigste sterfdag is zijn boek Ongeloof en Revolutie opnieuw uitgegeven (overigens zonder de hoofdstukken 12-14). Roel Kuiper heeft een goed leesbare bewerking gemaakt van de editie van 1868. De nieuwe bewerking is eveneens een herziening van de editie uit 2008 die Roel Kuiper samen met zijn zoon Arie had verzorgd.

 

 

Douwe Steensma,  Feanwâlden

 

N.a.v. Guillaume Groen van Prinsterer, Ongeloof en  Revolutie. Een reeks historische voorlezingen, Bewerkt en ingeleid door Roel Kuiper, Klassiekers, Buijten & Schipperheijn Motief, in samenwerking met Theologische Universiteit Utrecht en Stichting christelijke filosofie, herziene editie, 2026 [1847, 1868], 256 p., ISBN 978 94 6369 362 2.


Commentaar

  • Winnen of verliezen 2026-07-03 18:15:03

    Sport heeft een grote plaats in het leven van veel mensen. Veel gebeurt er op amateurniveau....

  • Waarom doet God er niets aan? 2026-06-20 08:08:37

    Ik las een artikel in het bekende Amerikaanse blad Christianity Today dat me aan het denken zette. De...

  • De hel 2026-06-06 06:52:25

    Op het moment dat ik dit schrijf, is het aan de vooravond van een conferentie van predikanten van...

  • Revival 2026-05-23 08:17:17

    Van 20 tot 23 april was ik samen met een paar honderd andere predikanten op de conferentie in...