God gebood Abraham dat hij Isaak, zijn zoon, moest offeren. Over deze geschiedenis heeft Søren Kierkegaard (1813-1855) een boek geschreven onder de titel Vrees en beven. Dit boek onderstreept het vaste geloof van Abraham. Toen het mes boven Isaak flikkerde, geloofde hij toch nog dat hij hem zou terugontvangen.
Abraham was bereid zijn zoon te offeren. Zijn bereidheid was echter een bereidheid in vrees en beven. Met angst en in grote nood reisde hij met Isaak naar Moria om daar de berg op te gaan die God had aangewezen.
Tegenspraak
Wat Abraham deed, was meer dan berusten in de opdracht van God. Het woord berusten hoort eigenlijk niet in het spraakgebruik van het geloof. Zou Abraham berusten in de opdracht die hij kreeg, dan zou hij zijn zoon offeren zoals sommige heidenvolkeren in die tijd kinderen offerden. Hij zou zich erbij neerleggen dat hij zijn zoon voor altijd kwijt was, in ‘oneindigheid’, zo schrijft Kierkegaard. Hij zou denken dat God andere plannen had.
Geloof is niet alleen meer dan berusting, maar ook meer dan afzien van wat je lief is. Dat afzien kan hoogstens een voorstadium van geloof zijn. De geschiedenis kent vele voorbeelden van mensen die iets heel kostbaars hebben opgegeven, maar zij deden dat voor een hoger doel. De Griekse held Agamemnon bijvoorbeeld offerde zijn dochter Iphigenia om daarmee een overwinning op Troje dichterbij te brengen. Jefta offerde zijn dochter omdat hij zich aan zijn belofte moest houden.
Abraham echter had geen hoger doel dat we zouden kunnen begrijpen. Hij hoefde dit offer niet te brengen om zijn familie te redden. Hij zou juist de toekomst van de familie beëindigen. Zou iemand begrijpen dat hij dit moest doen omdat God dat van hem vroeg? Er is geen redelijke verklaring voor zo’n offer. Abraham had zijn zoon lief. Zijn liefde voor God maakte zijn vaderliefde niet minder. En toch ging hij zijn zoon offeren. Onbegrijpelijk, dat hij dat deed. Tegelijkertijd is er een tweede ‘toch’. Dat is het ‘nochtans’ van het geloof: toch vertrouwde hij erop (hoewel met vrees en beven) dat hij Isaak zou behouden, ook al zou hij het mes in het lichaam van zijn jongen planten.
Spanning
Wat Abraham dreef, was enkel en alleen het bevel van God. Daarom ging hij op weg. In een en hetzelfde moment vertrouwde hij erop hij zijn zoon zou behouden. Kierkegaard spreekt over de paradox van het geloof. Het lijkt alsof het geloof zichzelf tegenspreekt. Er is vertrouwen dat God zijn beloften vervult en het hoogste geluk geeft, en tegelijkertijd moet je soms zo handelen alsof dat jouw geluk in de weg staat.
Geloofsvertrouwen kent een enorme spanning. Die spanning is dat je soms dingen moet doen die je niet kunt uitleggen in termen van een algemene moraal. Het geloof gaat boven die moraal uit. Zo kon Abraham niet uitleggen waarom hij zijn zoon moest offeren. Zijn daad streed met algemene opvattingen over hoe je met je naaste moet omgaan. Deze daad was een heel persoonlijke zaak, een zaak tussen hem en God. Abraham handelde als enkeling. Kierkegaard onderstreept dat het geloof een persoonlijk verhouding tot God is. In zijn tijd was het heel bijzonder dat hij dat benadrukte.
De spanning die het geloof met zich meebrengt, houdt ook in dat je aan God absolute gehoorzaamheid verschuldigd bent. Als God je ergens toe verplicht, moet je dat doen. Je moet Hem meer gehoorzamen dan mensen. Als dat niet zo zou zijn, zou Hij ondergeschikt zijn aan wat mensen vinden over wat je wel of niet mag doen. Dan zou God slechts een bewaker en handhaver zijn van de algemene moraal. Maar dat strijdt met het evangelie: God gaat juist boven die moraal uit. Dan is soms een ‘opschorting van het ethische’ nodig.
De spanning in het geloof houdt eveneens in dat je niet alles met je naaste kunt delen over wat je wel of niet doet. Soms kun je niet uitleggen wat je doet. Zo zweeg Abraham. Hoe had hij aan Sara kunnen uitleggen dat hij Isaak zou gaan offeren en tegelijkertijd geloofde dat zij haar zoon weer zou terugzien?
Vertrouwen
De vraag is dan wel wat we zouden moeten zeggen tegen een religieuze fanaat die zijn eigen kind wil offeren en beweert dat God dat van hem vraagt. Vanuit de Schrift moeten we zeggen: God vraagt een dergelijk offer niet (meer). Hij heeft zijn eigen Zoon geofferd en daarmee alles geofferd wat maar geofferd kan worden. Alles wat Hij in het oude verbond vroeg, is in Christus volbracht. Voor ons is nodig dat we daarop vertrouwen. Dan zullen we ook tegelijkertijd bedenken wat goed is voor onze naaste. Het geloof ontslaat ons niet van zorg voor het mens-zijn van onze directe en verre naasten. Zonder meer wil Kierkegaard ook dat vasthouden als hij de spanning tussen geloof en moraal verwoordt.
Tegelijkertijd nemen we de boodschap van Kierkegaard ter harte dat wij onszelf niet op de borst mogen slaan als we menen dat we goed leven. We staan altijd schuldig voor God. Die schuld kunnen we zelf niet inlossen. De angst die daarvan het gevolg is, is dezelfde angst waarmee Abraham op weg ging in gehoorzaamheid aan het gebod van God. Gehoorzaamheid sluit angst en vrees niet uit. Te midden daarvan vraagt God slechts één ding, namelijk geloof in datgene wat we niet kunnen begrijpen: vertrouwen dat Hij uiteindelijk toch alles goed maakt.
Dat betekent dan ook dat we te midden van de schuld vanwege de zonde tóch mogen geloven dat God vergeving schenkt. Voor mensen is dat niet uit te leggen. Maar dát is nu geloof: tegen de klippen op daaraan vasthouden. Volgens Kierkegaard is de kern van Abrahams geloof dat hij zijn zoon tóch zou behouden – tegen de schijn van het tegendeel in. Voor dat vertrouwen is echter wel moed nodig. Er is moed nodig om op weg te gaan in gehoorzaamheid aan God, mét de onrust die dat geeft.
Zo zien we dat het geloof geen goedkoop artikel is, maar een kostbare zaak. Wie God echt liefheeft, is bereid tot zelfverloochening en het opgeven van een kostbaar aards verlangen. Tegelijkertijd mag hij er dan op vertrouwen dat God dat verlangen tóch vervult, op zijn tijd en wijze, en in veel heerlijker vorm. God geeft een nieuw begin ‘krachtens het absurde’, zoals Abraham een nieuw begin ontving toen hij Isaak mee terugnam naar huis.
Vrees en beven is geen gemakkelijk boek, maar wel een boek dat veel invloed heeft gehad in theologie en filosofie. De vertaling daarvan door Andries Visser beleefde dit jaar zijn vijfde druk.
Douwe Steensma, Feanwâlden
N.a.v. Søren Kierkegaard, Vrees en beven, Søren Kierkegaard Werken, vertaling en verklarende noten van Andries Visser, met een nawoord van Karl Verstrynge, Damon: Eindhoven, 2026 vijfde druk [2006/1843], 176 p., €19,90, ISBN 978 94 6340 303 0



