Ik las een artikel in het bekende Amerikaanse blad Christianity Today dat me aan het denken zette.
De auteur die les geeft aan een universiteit in de VS, vertelt dat het hem opvalt dat heel veel jonge mensen niet meer zozeer de vraag stellen waarom het kwaad goede mensen treft.
Dat is lange tijd altijd dé vraag geweest die voor heel veel gelovigen grote moeite opleverde (en nog oplevert). Want hoe zit dat, dat een God die goed en almachtig is, het kwaad toestaat? Waarom lijden mensen? Waarom stapelt het lijden zich soms op in het leven van mensen die er juist in hun leven naar zoeken om met God te leven?
Maar, vertelt deze professor, heel veel mensen van de generatie die nu opgroeit, de zogenaamde ‘Generatie Z’ (Gen Z), stellen niet meer de vraag waarom het kwaad goede mensen treft. Ze worstelen met een andere vraag: waarom doet God er niets aan? Waar is het oordeel van God over mensen die ellende veroorzaken? Waar is het oordeel van God over onderdrukkers? Als God echt bestaat, waarom straft Hij al die verschrikkelijke mensen dan niet, voor wat ze anderen aandoen?
Het is opmerkelijk dat deze vraag zo opkomt. Er is ongetwijfeld verband tussen de beide vragen, maar er is ook een duidelijke verschuiving. De professor stelt dat zijn studenten het probleem van het kwaad nu heel anders begrijpen dan hele generaties christenen uit het verleden. Hij ontdekte dat toen hij met hen het leven van David behandelde. De studenten konden alles wat er gebeurde goed plaatsen, maar ze gaven aan grote moeite te hebben met de afloop van het verhaal. Ze bleven zitten met de vraag waarom David er zo makkelijk vanaf komt. Ja, dat hij zondigde begrepen ze allemaal, maar waarom komt er zo makkelijk genade en vergeving voor hem? En dan daarbij: waar zie je in dit verhaal dat er recht gedaan wordt aan Batseba, als je erop let wat er allemaal met haar gebeurt? Want het is werkelijk heel wat als je je realiseert hoe David zich aan haar vergrijpt; hoe hij vervolgens ook haar man laat ombrengen, en dan verder leeft en zelfs in de Bijbel een man naar Gods hart wordt genoemd. Daar wonden de studenten zich over op. Ze waren niet zozeer geschokt om de val van een bijbelse held, maar ze werden woedend omdat David er in hun ogen zo makkelijk vanaf komt.
Een van de studenten uitte zelfs een heel diepe verontwaardiging toen haar duidelijk werd dat de boodschap van de Bijbel is, dat er zelfs voor de grootste misdadiger genade is. Het was voor haar onbestaanbaar en ook onverteerbaar dat er voor iedereen verlossing zou zijn. Er moet gerechtigheid geschieden.
Ik proef in wat ik allemaal las een diep verlangen naar recht en gerechtigheid. En ik kan dat helemaal plaatsen. Zeker ook als ik daarbij lees over de diepere motivering die de studenten ertoe dreef om zo rechtuit het kwaad te benoemen en om recht te roepen. Daar sprak hun zorg voor wat de Bijbel de weduwe, de wees en de vreemdeling noemt heel duidelijk in door.
Ik kan dat werkelijk helemaal plaatsen. Het lijden dat mensen vandaag wordt aangedaan, roept om gerechtigheid. Het roept om recht. En ik kan me de vraag waarom God de onderdrukkers hun gang maar laat gaan heel goed voorstellen. Ik voel diezelfde vraag regelmatig. En toch bid ik niet zozeer dat God eens flink op zal treden en de onderdrukkers ervan langs zal geven, maar ik bid dat Hij zijn Koninkrijk laat komen. Daar kijk ik naar uit. Steeds meer.
Jan van ’t Spijker, Hoogeveen



