Nog één keer aandacht voor de inhoud van dit voorlaatste bijbelboek: het briefje van Judas. Hij vat zijn tot nu toe gebrachte boodschap samen: Maar u, geliefden, herinnert u zich de woorden die voorzegd zijn door de apostelen van onze Heere Jezus Christus, dat zij u gezegd hebben dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun eigen goddeloze begeerten wandelen. Zij zijn het die scheuringen veroorzaken, natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben (17-19).

 

 

Judas onderstreept zijn boodschap die hij tot nu toe gebracht heeft met een verwijzing naar ‘de woorden die voorzegd zijn door de apostelen van de Heere Jezus Christus’. Heeft Judas gedacht aan Paulus’ woorden tot de ouderlingen van Efeze in zijn laatste contact met hen (Hand. 20)? Hij had het toen over wrede wolven die de kudde niet zouden sparen. Die kudde - dat is ‘de kudde over welke de Heilige Geest ons tot opzieners heeft gesteld, de kudde van God, die Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed’. Het is dus een duur betaalde kudde. Christus gaf er Zijn leven voor. Vandaar de grote zorg en toewijding om Christus’ schapen te bewaren bij het overgeleverde geloof.

 

Toon

Hierna verandert de toon van Judas’ brief: Maar geliefden, bouwt gij uzelf op uw allerheiligst geloof, biddende in de Heilige Geest. Bewaart uzelf in de liefde van God, verwachtende de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven (20). Liefdevolle vermaningen, bedoeld als geestelijke toerusting van Christus’ gemeente in de strijd. Vanwaar zal haar hulp komen? Hoe zal zij wijsheid en moed ontvangen om in deze strijd staande te blijven? Niet anders dan wanneer zij zich fundeert op wat Judas noemt ‘uw allerheiligst geloof’. Wat dat geloof is?

Dat is níet íets. Maar dat is Iemand! Niemand minder dan Hem, van Wie Paulus schreef, dat hij niets en niemand wilde weten om te prediken dan Jezus Christus en Die gekruisigd. Dat bedoelt ook Judas. Ik citeer nog eens de statenvertalers in hun kanttekening: ‘Bouwen op het allerheiligst geloof, dat is: het vertrouwen dat u hebt op de Zaligmaker Jezus Christus: om dat vertrouwen te behouden, daarin toe te nemen, en daarop alle christelijke deugden te vestigen. Namelijk op de leer van de heilige profeten en apostelen, die u geloofd en eenmaal aangenomen hebt, daarin dagelijks meer en meer toenemende, daarbij vast blijvende!’

 

Vermaning

Wie hebben het nodig om zich ervan te vergewissen dat ze vaststaan? Dat ze stevige grond onder de voeten hebben? Het zijn zij die weten van hun eigen onvastheid en wankelmoedigheid. Die zichzelf kennen als mensen die zomaar meegenomen kunnen worden met allerlei wind van leer. Daar weet Judas kennelijk ook van. Aangaande zichzelf en ook wat betreft de christenen aan wie hij schrijft.

Daarom knoopt hij aan zijn advies om te bouwen op de vaste grond van het geloof een extra vermaning vast. Namelijk om te bidden ‘in de Heilige Geest’. Een bouwend christen is een biddend christen. Dat hoort bij elkaar. Een ware bidder is een bidder in de Heilige Geest. Bidden in de Geest is bidden dóór de Geest óm de Geest. Want vanuit onszelf weten wij niet te bidden zoals het hoort (Rom. 8). Het was ook de nood van de discipelen, dat ook zij niet konden bidden. Daarom gingen ze naar de Heere Jezus, en ze vroegen Hem: Leer ons bidden! (Luk. 14). En de Zaligmaker heeft het ze geleerd. Want Hij heeft hun Zijn Geest gegeven. De Geest der genade en der gebeden!

Het slot van Judas’ brief laat zijn diepste drijfveer zien. Het is de liefde van Christus. Uit die bron putte hij, ook in zijn allerscherpste vermaningen. Wie immers Christus liefheeft, die heeft ook de gemeente van Christus lief. Vanwege die liefde heeft hij ze niet over voor afval en verderf. Ook Paulus wijst er een van de gemeenten op hoezeer de Heere te vrezen is: ‘wetende de schrik des Heeren’. Maar in één adem voegt hij erbij: de liefde van Christus dringt ons. Daarom beweegt hij de mensen tot geloof en bekering (2 Kor. 5). Wel, zo ook Judas in zijn brief: Bewaart uzelf in de liefde van God … (21). Wat een liefdevolle vermaning. Die liefde van God – dat is allereerst de liefde waarmee Christus de Zijnen liefheeft. Zijn liefde die Hij in hun harten heeft uitgestort. Die liefde ontvangt haar vrucht in de wederliefde tot Christus. ‘Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.’ En nu luidt de opdracht om in die liefde ook te volharden. ‘Bewaart uzelf in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.’

 

Barmhartigheid

Wat Judas als voornemen had, namelijk om te schrijven over de zaligheid die hij en de geadresseerden gemeen hebben, daar gaat het nu toch van komen. Wat is die zaligheid immers anders dan de barmhartigheid van Jezus Christus. Gods ontferming in Zijn geliefde Zoon, voortkomend uit Zijn eeuwige liefde. Die liefde is van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. De liefde vergaat nimmermeer. Met die ontfermende liefde heeft de Heere Zijn kerk geroepen en geheiligd. In die liefde bewaart Hij haar ook (1) en zal Hij haar bewaren (24). En tegelijkertijd heeft Gods kerk de roeping zichzelf in die liefde te bewaren (21). Wat haar daarin staande houdt, is de verwachting van Gods barmhartigheid ten eeuwigen leven.

Het is met het oog op dit perspectief dat Judas nog één keer een stevige aansporing onder woorden brengt. Namelijk om de gemeente heilig te houden (22-23). Hoe? Door de dwalende christenen met onderscheid en wijsheid te behandelen. Twijfelenden moeten onderwezen, dwalenden teruggebracht en zwakken ondersteund worden. Nee, ze zijn er niet bij gebaat wanneer ter wille van de lieve vrede alles maar met de mantel van de zogeheten liefde wordt toegedekt. In wijsheid en onderscheiding moet gehandeld worden. En – hoe vreemd het ook klinkt – in naam van de liefde van Christus moet er ook haat zijn. Haat tegen alles wat het heil van de gemeente ondermijnt. Ontferming voor de zondaar, maar haat tegen de zonde. Radicaal zelfs: haat ook de rok die door het zondige vlees bevlekt is! Al met al: liefde en ontferming voor de dwalenden: ruk ze uit het vuur waarin ze dreigen terecht te komen. Maar vrees voor en afkeer van de dwaling.

 

Judas eindigt met een kostbare zegenbede. Een uitbundige lofprijzing aan het slot van zijn pastorale vermaningen en vertroostingen: Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid in vreugde, de alleenwijze God, onze Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen (24-25).

 

J.M.J. Kieviet, Barendrecht

 

Drs. J.M.J. Kieviet is emeritus predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Renswoude en heeft tijdens de vormingscursus van onze kerken (in seizoen 2024-2025) een module gegeven over de brief van Judas.


Commentaar

  • Dienst der offerande 2026-02-27 08:47:52

    In de ene kerk wordt er meer vorm en inhoud gegeven aan het collectemoment dan in de andere. Tot...

  • (Ont)lezing 2026-02-14 10:07:29

    Op mijn vorige commentaar (‘Je eigen bijbeltje’, oktober 2025) kreeg ik verschillende reacties....

  • Een huis tegen zichzelf verdeeld 2026-01-31 13:29:44

    Zoals het velen bezighoudt, geldt het ook voor mij. Het gebeuren rond het mogelijke scheuren van...

  • Als de feestdagen voorbij zijn 2026-01-16 18:45:46

    Afgelopen maand vierden we Kerst. In de kerk stonden we stil bij Jezus’ komst naar deze wereld....