In de eerste gemeente te Jeruzalem had men alles gemeenschappelijk. Betekent dit dat we ons geld en goed moeten inleveren bij de kerkenraad, zodat hij al onze goederen kan herverdelen onder de gemeenteleden? Wat betekent het eigenlijk dat men in de eerste gemeente te Jeruzalem alles gemeenschappelijk had en moeten we alle bezittingen delen?

Wanneer we nagaan wat de Bijbel over eigendom zegt, valt op dat God de volstrekte eigenaar van alles wordt genoemd. God schenkt aan het volk Israël het land Kanaän, maar Hij legt daarbij beperkende bepalingen op inzake de onderlinge verkoop van grond. ‘Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij’ (Lev. 25,23, HSV).

Jubeljaar

Duidelijker kan niet gezegd worden dat God de eigenaar is van de grond en Israël er slechts de tijdelijke bezitter van is. Ook de wetgeving rondom het Jubeljaar laat ons zien hoe betrekkelijk het bezit is. Eens in de vijftig jaar moest wat er voordien scheefgegroeid was, weer rechtgetrokken worden. Drie dingen vallen daarbij op: schulden moesten worden kwijtgescholden, Israëlieten die zich als slaaf hadden moeten verkopen, dienden vrijgelaten te worden, en de grond die in andere handen was gevallen, moest terug naar de oorspronkelijke bezitters. Uit zulke wetgeving blijkt dat de Israëliet met zijn bezit het heil van de gemeenschap voor ogen moest houden. Dat blijkt ook uit de prediking van profeten als Jesaja, Jeremia en Micha, die zich uitspraken tegen onrecht, uitbuiting en misbruik. Dat wil echter niet zeggen dat bezit en rijkdom verboden waren. In het Oude Testament kwamen verschillen in rijkdom voor, ook zonder dat zij gevolg waren van uitbuiting van de een door de ander. Mensen als Abraham en Salomo werden door God met rijkdom gezegend. Armen behoren er in Israël eigenlijk niet te zijn (Deut.15,4.11), maar nergens wordt dat van de rijken gezegd.

 

Gevaren

In het Nieuwe Testament wordt vooral gewezen op de gevaren van rijkdom. Denk aan de rijke dwaas en de arme Lazarus en de woorden van de Heere Jezus over de kameel die gemakkelijker door het oog van de naald gaat dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat. Maar denk ook aan de opdracht van Jezus aan de rijke jongeling om al wat hij bezit te verkopen.

Hier is echter geen verbod op bezit of rijkdom uit af te leiden. Dit gebod geldt namelijk niet voor iedereen. Zie bijvoorbeeld de rijke Zacheüs, die (slechts) de helft van zijn bezit aan de armen geeft. In het Nieuwe testament lezen we dat zowel tot Jezus’ volgelingen als tot de eerste kerk rijke mensen behoorden. Denk bijvoorbeeld aan Jozef van Arimathea, Erastus, Lydia, Prisca en Aquila en Filemon. Wanneer men zich bij de gemeente aansloot, betekende dit dus niet (automatisch) dat er aan rijkdom en particulier eigendom een einde kwam. Ook niet binnen de gemeente van Jeruzalem, waar niemand zei dat iets van wat hij bezat, van hemzelf was. Alles hadden zij gemeenschappelijk (Hand. 4,32). In deze gemeente stelde men huizen en andere goederen volledig in dienst van de broeders en zusters, en verkocht daarvan ook veel om de opbrengst aan de apostelen te geven. Dat is echter nog wat anders dan georganiseerd gemeenschappelijk beheer van alle bezittingen. Wat echter wel duidelijk wordt uit Handelingen 4 en andere bijbelteksten, is de opdracht eigen geld en goed aan te wenden tot nut van anderen. Het hebben van particulier bezit wordt dus meerdere malen verondersteld, omdat men iets moet hebben om aan een ander te geven.

 

Eigendom

Niet alleen in het Nieuwe Testament, ook in de Vroege Kerk is er gewaarschuwd tegen de gevaren van rijkdom. Velen gebruikten zelfs krasse woorden tegen rijkdom en bezit. De Didaché, een vroegchristelijk geschrift met voorschriften voor de eredienst en het kerkelijk leven, leert ons een belangrijke les: ‘Weer geen behoeftige af, maar gebruik alles met uw broeder gemeenschappelijk, en zeg niet dat het van uzelf is’. En Clemens Alexandrinus, een kerkvader (ca. 200), stelt dat we de volgende vraag moeten leren stellen: Het [bezit] staat mij ter beschikking, waarom zou ik het niet aan hen uitdelen die het nodig hebben? Zo kunnen we concluderen dat ook de Vroege Kerk ons leert dat particulier bezit geen probleem is, maar het wel op een sociale manier gebruikt moet worden.

J. Douma, een emeritus professor in de ethiek, stelt dat de drie grote reformatoren, Luther, Zwingli en Calvijn, wat betreft persoonlijke bezittingen geen nieuwe wegen insloegen. Alle drie hebben ze het recht op particulier eigendom verdedigd. Beslissend is voor hen hoe het eigendom gebruikt wordt: voor eigen plezier of ten bate van de naaste. Zo stelt Calvijn bijvoorbeeld dat matigheid ons leven moet kenmerken en met dat wat wij overhouden moeten we onze broeders en zusters helpen. Voor Calvijn is eigendom – ook het eigendom in grote omvang – geen probleem.

 

Hypotheek

Of we veel of weinig bezitten, we kunnen als de rijke dwaas zijn, die schatten vergaart voor zichzelf, maar we kunnen ook met Clemens Alexandrinus zeggen: Het staat mij ter beschikking, waarom zou ik het niet uitdelen aan hen die het nodig hebben?

De laatste vraag wil niet tot een benepen levenshouding brengen, waarin voor genieten van wat mooi en goed geen plaats is. Ook volgens Calvijn mag er naast het noodzakelijke (denk aan onderhoud en onderdak (bed, bad en brood)) mag er ruimte zijn voor extra (een welverdiende vakantie) dat het leven een bepaalde fleur geeft en ons laat genieten. Mooie kleren, een ruimer huis dan strikt noodzakelijk, om de zoveel tijd een groot feest, dat past in een christelijke levensstijl. Daarbij zullen dan uiteraard verschillen optreden. Een koningin leeft immers op grotere voet dan een secretaresse.

Persoonlijke bezittingen zijn niet problematisch, wel klinken er in de Bijbel, de Vroege Kerk en bij de reformatoren waarschuwingen tegen (de gevaren van) rijkdom en wordt er opgeroepen om bezittingen ten dienste van de naaste aan te wenden. Wie de Bijbel serieus neemt, weet dat bezitten en weggeven onverbrekelijk bij elkaar horen. Wanneer wij dus voor de keuze staan om een grote uitgave (of gift) te doen, is het belangrijk om de vraag te stellen: ‘Waarom zou ik het niet uitdelen aan hen die het nodig hebben?’ Luxe en rijkdom zijn zeker niet altijd verkeerd, maar bedenk wel dat we worden opgeroepen om bezittingen ten dienste te stellen aan de naaste. Luxe en welvaart die ten koste gaat van anderen, is dan ook extra wrang. We moeten ons er altijd van bewust zijn dat op alle privébezit een sociale hypotheek rust.

 

Willem Jan van der Velde, Apeldoorn

 

W.J. van der Velde is masterstudent aan de Theologische Universiteit Apeldoorn


Commentaar

  • App …? 2018-09-15 08:05:25

    Wij genoten van onze vakantie in Duitsland. Daar maakten we verschillende keren een flinke...

  • Een nieuw begin 2018-09-07 18:10:15

    We staan aan het begin van een nieuw seizoen, dit nummer van het Kerkblad is het zogenaamde...

  • Van leeuw tot schaap 2018-08-31 19:33:00

    Wie we zijn als christenen, dat was de vraag. Wat vinden we zelf? Wat vindt de niet-christen van...

  • Magnetiseur 2018-08-17 08:03:57

    Je moet wel bijna zeventig zijn om je de sensatie te kunnen herinneren die het werk van de...