Gij zult niet begeren (1)
Een van de kenmerken van ons mens-zijn is een sterk verlangen naar de regie over het eigen bestaan. We zien dat in onze tijd ten aanzien van het begin van het leven, het einde daarvan, en heel de weg daartussen. Dit begeren naar een plek naast of in plaats van God, uit zich in het dagelijks leven onder meer in begeren van wat van een ander is.
Het verlangen naar regie over het eigen bestaan was reeds bij ons toen we nog in het paradijs woonden. We konden de verboden vrucht niet weerstaan, en verlangden ernaar zelf te bepalen wat goed is en wat verkeerd. Zondige begeerte wil niets anders dan zich toe-eigenen wat de A(a)nder toebehoort. Ze mist liefde tot God en de naaste. Het tiende gebod in de decaloog (Ex.20,17; Deut.5,21) gaat vooral om dat laatste: begeerte naar datgene wat van de naaste is.
De Bijbel geeft talloze voorbeelden daarvan. Sichem bijvoorbeeld verkrachtte Dina, de dochter van Jakob (Gen.34,2). De vrouw van Potifar verlangde vurig naar omgang met Jozef, die knap was om te zien (Gen.39,6). Amnon werd gek van verlangen naar zijn zuster Tamar (2Sam.13).








